Zo werkt de n-term
Het cijfer voor het centraal examen hangt af van twee dingen: hoeveel punten je haalt en de n-term. In de grafiek zie je wat er met de cijfers gebeurt als de n-term verandert.
Met de schuiven kies je zelf een n-term en het aantal punten dat je bij het examen kunt halen. Klik of tik in de grafiek om een andere score te kiezen.
Wat zie je?
Bij een n-term van 1,0 is het een rechte lijn: met 0 punten krijg je een 1,0, met alle punten een 10 en met de helft van de punten een 5,5.
Gaat de n-term omhoog, dan schuift de lijn omhoog. Met hetzelfde aantal punten krijg je een hoger cijfer en heb je minder punten nodig voor een voldoende. Gaat de n-term omlaag, dan gebeurt het omgekeerde.
Helemaal onderaan en bovenaan schuift de lijn niet mee. Met 0 punten blijft het een 1,0 en met alle punten een 10. Daarvoor zijn er extra regels, en die zorgen voor de knik in de lijn. Hoe verder de n-term van 1,0 af ligt, hoe meer leerlingen in het stuk met de knik zitten.
Hoeveel punten je bij een examen kunt halen, verschilt per examen. Sinds 2000 was het laagste maximum 31 punten (filosofie op de havo in 2006). Met de tweede schuif kies je zelf een maximum. Je ziet dat het idee hetzelfde blijft: bij elk maximum schuift de lijn op dezelfde manier. Op de pagina Andere n-term zie je wat een andere n-term bij een echt examen had betekend.